5 januari 2012

Dikke Petra

Ik sta in mij kennissenkring bekend als redelijk sportief. Ik ga namelijk elke dag met de fiets naar het werk (half uur heen, half uur terug). Verder ga ik drie keer per week een uurtje lopen en af en toe riskeer ik mij aan een 20-beurten kaart fitness of een 10-beurtenkaart yoga. Ik ben ‘Sporty Stephie’. En dan volgt nu de bekentenis: ik haat sport. Echt, ik haat het tot in het diepst van mijn ziel. Ik snap die mensen gewoon niet die zeggen ‘Goh, sport, dat heb ik nódig om mij goed te voelen’. Ik heb een brownie nodig om mij goed te voelen. Of: ‘Na het lopen krijg je echt zo’n rush hé, je voelt je dan zó goed, je hebt energie voor uren!’ Dan knik ik instemmend maar eerlijk: Welke rush? Welke stroomstoot aan energie? Het enige wat ik ervaar na het lopen is kortademigheid en pijn in mijn scheenbenen.

'Waarom doe je het dan?',  hoor ik je vragen. Het antwoord is kort en krachtig: omdat ik een vrouw ben en masochisme een essentieel onderdeel uitmaakt van dat tweede X-chromosoom. Als ik het niet doe, dan weet ik gewoon dat ik me de hele avond schuldig ga voelen (naast vrouw ben ik ook katholiek) en dat ik me dan dingen zal opleggen als: Ah nee hé, als je niet gaat sporten, dan moet je het ook niet in je hoofd halen een glas wijn te drinken na het eten.
En ik drink graag wijn. Heel graag zelfs.

Als psychologe doe ik aan zelfanalyse en ik weet dan ook perfect waar mijn weerzin ten aanzien van het sporten vandaan komt. Het is allemaal de schuld van De Turnles. De horror die dat woord tot op de dag van vandaag nog steeds bij me oproept! Ik vond er werkelijk niets aan, aan die hele turnles maar enkele herinneringen krijgen toch een speciaal plaatsje in het Grote Boek der Traumatische Jeugdherinneringen.

Zo was er ‘De Bok’. Je weet wel dat onding dat het kleine broertje was van ‘De Plint’ en waarbij je moest aanlopen en er vervolgens gezwind in spreidstand overheen sprong. Iedereen, maar ik dus niet hé. Ik kon aan niets anders denken dan dat ik dat meisje zou zijn dat aanliep, sprong, haperde en vervoglens keihard met haar kop tegen de grond sloeg. De angst was allesverlammend. Daar stond ik dan, in de rij, de één na de ander ging sierlijk over De Bok, onder het al dan niet slaken van een klein vreugdekreetje en toen kwam ik. Ik liep aan, maakte vaart en hield vervolgens abrupt halt vlak voor het toestel. Waarop de turnjuf al zuchtend zei: Probeer het later nog maar eens, Stephanie. Sluit maar achteraan aan in De Rij. De Rij hier met hoofdletters want die had een speciale betekenis.

De Rij stond namelijk synoniem voor De Rij Met Kneusjes Die Nooit Over De Bok Raakten. Concreet had je dus aan de overkant van de bok al de popi-kindjes die waarschijnlijk thuis een bok hadden staan waar ze dan, puur voor hun plezier, voor het slapengaan 20 000 keer over heen gingen. Aan de andere kant van de bok, had je De Rij met kneusjes die er de eerste keer niet overgeraakten, het onder het vergenoegzaamd oog van De Popi’s, nog eens mochten proberen en vervolgens weer faalden.

Waarop ik me dan retrospectief de vraag stel: Waar leren de turnleerkrachten eigenlijk zo’n pedagogische strategieën?? Bij de HitlerJugend?

Nog zo’n favorietje was ‘het kiezen van ploegen’. U allen vermoedelijk wel bekend maar laat ik uw geheugen even opfrissen: De turnleerkracht kiest de twee sportiefste (lees: populairste) kindjes van de klas uit en die mogen vervolgens een team kiezen om netbal/korfbal/basketbal of een andersoort folter-bal te spelen. Populair Kindje A kiest Populair kindje C (want B behoort tot het andere team) en Populair Kindje B kiest Populair kindje D. En zo gaat het verder. Tot tenslotte Dikke Petra en ik achterbleven en Kindje A naar de turnjuf keek met zo’n blik van: ‘Moet dit echt?? Verlang je echt van mij dat ik op mijn jonge leeftijd een dergelijke keuze maak?’

Nogmaals: Waar léren die leerkrachten zo’n dingen???

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen